Bron les 137: Wie eet wie?
De voedselketen
De voedselketen is een woord dat bedacht is om duidelijk te maken hoe alles wat dieren eten met elkaar samenhangt. In de voedselketen zie je hoe elk soort plant of dier weer het voedsel is voor een andere soort.
Een voorbeeld van een voedselketen in je achtertuin is bijvoorbeeld: bloem > bij > spin > muis > kat.
Een voedselketen begint altijd bij planten, want die maken hun eigen voedsel. Dat doen ze met water, CO2 en zonlicht. Daarna volgt er in de voedselketen een planteneter en daarna een vleeseter. Dat vlees kunnen insecten, reptielen of plantenetende zoogdieren zijn.
Planten hebben allerlei kenmerken waardoor ze niet opgegeten worden, zoals bijvoorbeeld gif. Als een plant giftig is, dan zullen dieren met een boog eromheen lopen en geen hapje nemen. Denk maar aan een giftige bes. Soms heb je maar weinig nodig van zo’n besje om heel ziek te worden.
Een ander kenmerk is stekelig. Planten die scherpe stekels hebben zijn moeilijk om van te eten. Denk maar aan de bramenstruik. Het kost vaak een hoop moeite om de lekkere bramen te plukken!
En weer een ander kenmerk is hoe taai een plant is. Herten zoeken bijvoorbeeld het liefst de verse, malse blaadjes op. De oude bladeren van een struik of boom zijn taai en minder goed te verteren.
Toch zijn er dieren die wel manieren hebben gevonden om van die planten te eten. Ze zijn daar dan helemaal op aangepast. Bijvoorbeeld doordat ze ongevoelig zijn voor het gif. Of doordat ze een handige manier hebben om langs de stekels te komen.