Bron les 138: Waterwerelden
Waterlandschappen
Water is nodig om te kunnen leven. Planten kunnen bijvoorbeeld niet groeien zonder water. Dieren hebben water nodig om te drinken. In het tropisch regenwoud is er meer dan genoeg water voor alles wat daar leeft. Het is er heel warm en de bomen verdampen daardoor veel water. Zo ontstaan er elke dag flinke regenbuien. Het regenwater kan weer gebruikt worden door de planten en dieren.
Het water in de bossen is zoet water. Het zoete water stroomt vanuit de boskreek naar de rivieren. Dit zoete water trekt veel soorten dieren aan. In het water leven natuurlijk veel vissen, maar je vindt er ook slakken, kreeften, wormen en andere onderwaterdieren.
De rivier stroom richting de zee. Het water in de zee is zout. In dit zoute water leven ook vissen, slakken, kreeften en wormen, maar wel andere soorten dan in de rivier. Deze dieren moeten namelijk tegen het zoute water kunnen. Ze hebben slimme manieren om geen last te hebben van het zout. Zeeschildpadden bijvoorbeeld huilen zoute tranen om van het zout in hun lijf af te komen.
In de moerassen aan de kust mengt het zoete water van de rivier met het zoute water van de zee. Dat kan doordat tijdens vloed het water in het moeras ook stijgt. Het moeras wordt gevuld met het zoute zeewater én het zoete water van de rivier. Als zoet en zout water mengt, dan noemen we het water brak. De brilkaaiman leeft in dit moeras en heeft geen probleem met het brakke water. Hij kan goed tegen het zout. Als er maar genoeg eten is te vinden!